Blauwdruk hoofdspant MD10
Wij restaureren de laatst overgebleven beugsloep ter wereld, de MD10 'Johanna Hendrika'

Klik verder

MD10 Johanna Hendrika
De laatste overgebleven beugsloep van Middelharnis

Beugsloepen

Beugsloepen waren rond 1900 de meest geavanceerde zeezeilende vissersschepen in Noord-Europa. De vloot beugsloepen viste op de rijke visgronden van de Noordzee. Middelharnis was thuishaven voor vele beugsloepen, in eigendom bij de reders Slis en Kolff. Het scheepstype was bepalend voor de visserij vanuit Middelharnis.

De schoener getuigde beugsloepen waren zeer snelle zeilers, die het gehele jaar werden ingezet. Met lange lijnen tot wel 14 kilometer lengte die met geaasde haken over de zeebodem zeilend werden uitgelegd, werd de vis gevangen en in de grote bun in leven gehouden, waarna zo snel mogelijk naar de afslag werd gezeild om de vis levend te verkopen.

Houten beugsloepen
De eerste beugsloepen werden gebouwd in hout. Hoewel eeuwenlang gebruikt als bouwmateriaal voor schepen, was hout geen ideaal bouwmateriaal. Het krimpt op het droge, zeilend op zee ‘werkt’ de huid en de naden moeten continu gebreeuwd worden. Alle houten schepen lekten. Het was geen teken van onzeewaardigheid, maar erg onplezierig voor met name de koffiekoker, de ketellapper, de inbakker en de kok, die tot taak hadden om het water uit het schip te pompen.

Ook waren houten schepen onderhevig aan het zo gevreesde ‘vuur’, een bepaald rottingsproces als het schip permanent vochtig blijft. Gezond hout kon ook een ‘vuurbacil’ in zich hebben. Een schimmel die langzaam uitgroeit tot de hele romp verzwamd raakte. In 1891 werden dan ook de eerste ijzeren sloepen op stapel gezet. Deze waren nog langer en ranker dan de houten beugsloepen.

IJzer: lang, slank en snel
De eerste ijzeren sloep kwam in 1896 in Middelharnis in de vaart. Uitgerust met twee grote masten, een zogenaamde schoener-sloep, met een lengte van 89 voet, 28 meter, een breedte van 6,70 meter en een diepgang van bijna 3 meter. De ijzeren sloepen konden een snelheid halen van 16 km per uur en zeilden goed aan de wind. De schippers op die sloepen waren zeer goede zeelui en vakbekwaam. Schipper op deze eerste ijzeren sloep was Leendert Koster.

De houten beugsloepen waren een relatief kort leven beschoren, maar de degelijk geklonken ijzeren rompen hebben nog lang gevaren. Na de teloorgang van de Nederlandse beugvisserij rond 1915, zijn de ijzeren beugsloepen verkocht om te dienst te doen als logger, motorlogger of vrachtschip. De vloot is op die manier uitgespreid over Noord-Europa, met vaak Scandinavië als laatste vaargebied. Uiteindelijk zijn er momenteel nog twee rompen van dit scheepstype bekend: één als basis voor een woonboot in Scandinavië, als restauratieproject te ver heen. Het andere exemplaar is de ‘Johanna Hendrika’, visserijkenmerk MD10.